Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was twee uur in den namiddag, nog nauwelijks vier uur en de sirene zou weerldirlken waarop de werkplaats No. 4 zou volstroomen met werklieden. Muller zou den hefboom aanzetten, de stroom zou door de draden gaan loopen en op hetzelfde oogenbhk <

„Otto! Otto! daar komt Hilmans uit dë cantine".

Öp dit geroep snelde de kleine Franschman naar het toestel, dat geheel gereed, stond te wachten voor de hangars.

Alleen op het groote uitgestrekte verlaten vliegveld maakte de reusachtigé albatros met ,zijn geschilderde vleugels, waarop de sombere, zwarte Pruisische kruisen afstaken, een uitstekenden indruk.

Zooals Jan bevolen was, had hij den motor goed gesmeerd en alles nagezien. Op de zitplaats voor den waarnemer lag zorgvuldig opgevouwen zijn jekker, niet zoo opvallend als dien van zijn begeleider, die zwart van het buskruit was en vol olievlekken.

De kleine Franschman stond geheel uitgerust, kranig en onbewegelijk bij het toestel, wachtende op den aviateur, die bedaard een cigaret rookende, naderbij kwam. Terwijl Jan hem zag, mompelde hij :

„Het is tóch jammer, dat hij het is ! Ik zou veel

liever gewild hebben, dat het dat kanalje von Stein of dié ezel van zooeven, die man van den met zwanendons gevoerden jekker, was^geweest. Het spijt mij voor Hilmans".

Maar dadelijk kwam' hij weer tot andere gedachten.

„Jammer voor de Duitschers, maar goed, uitstekend

voor de Franschen Medelijden met die menschen

is misplaatst. Per slot van rekening zijn ze allemaal

moffen!" - .

Na uitgestegen te zijn onderwierp de vliegenier op zijn beurt het vhegtoestel aan een nauwkeurig onderzoek. Met een vluchtigen toch niets voorbijzienden bhk overtuigde hij zich er van, dat alles in orde was. Toen wendde hij zich tot den jongen, die nog altijd in de houding stond en zeide hem :

„Alles is in orde matroos, wij zullen vertrekken en den kant van Metz uitgaan. Wij zullen tegen zes uur terug-

Sluiten