Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hek zitten, met z'n voeten op de dwarsplank, de armen voor zich uitgestrekt, de vuisten geklemd om een denkbeeldig stuur, den rug voorover gebogen, de oogen voor zich uitstarend. De vreemste klanken, waarvoor in 't alfabet geen letters bestaan, stoot hij uit; knalgeluiden, snorgeluiden, blaasgeluiden, 'k Geloof zeker, dat hij 80 K.M. per uur aflegt, daarboven op dat hek. En zooals hij daar met z'n oolijken snuit zit te tuffen, — kun je zoo kwaad op hem blijven? Ook al is hij gisteren weer den geheelen dag op sjouw geweest?

Nee, telkens moet je weer denken: Arme stakkerd,had je maar een flinken goeien vader, in plaats van die oude afgewerkte grootmoeder! Wie weet, wat er dan nog van je terecht kwam!

En zoo sukkelen we nu al een halfjaar voort met onzen Chris, 'k Heb één geluk, en dat is, dat hij mijn andere jongens niet mee op sleeptouw neemt, 'k Geloof, hij vindt ze te kinderachtig en zoekt liever zijn vroegere kornuiten op. Wat dat voor heeren wezen zullen? Heel veel bizonders vast niet. Wat ze met elkaar uitvoeren langs 's Heeren wegen?

„Spelen op 't zand," heeft hij eens geantwoord, toen ik 't hem vroeg.

Toch heb ik hem nog nooit betrapt op de ondeugden, die gewoonlijk uit straatslijpen voortkomen: snoepen,

r0oken stelen. Nooit heeft hij snoepgoed of centen op

zak, nooit mis ik wat in de klas.

En ook nog steeds komt hij in tranen badend weer op school, als een berouwvol zondaar. Dan hebben „de andere jongens" gezegd, dat het nog tijd genoeg was, of hij moest „eerst" nog een boodschap voor z'n grootmoeder doen, of hij heeft weer een andere uitvlucht. Maar altijd belooft hij, dat 't nu „nooit meer gebeuren zal."

Sluiten