Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wangen. Bedaard en onderzoekend zat ze mij aan te kijken, daar van haar bank bij 'traam. Vol verwachting ging ze de komende gebeurtenissen tegemoet, volkomen zeker van zichzelf.

Die eerste dagen, wat zijn ze vaak van groote beteekenis! Wat omwentelingen brengen ze in menig kindergemoed! Niet voor de bewaarschoolklantjes. Die zijn dadelijk thuis; de klas lijkt een beetje op die andere klas en de juffrouw op hun vorige juffrouw, of de hoofdjüffrouw, of op de juffrouw, die toen een paar dagen kwam, toen hun eigen juffrouw ziek was. En je moet hier ook stil zitten en je vinger opsteken, als je wat zeggen wilt. — En als de leien uitgedeeld of de potlooden rondgegeven worden, zetten ze een gezicht van: „Alles schon dagewesen."

Maar de moeders kindertjes! Voor die is alles nieuw, alles vreemd, alles anders, dan ze 'tooit in hun gansche bestaan ondervonden hebben. En 't vreemdste is „de juffrouw", de nieuwe „moeder" van de school. Wat praat ze raar, wat is alles gek en „anders" aan haar! Haar kleeren, haar gezicht, haar manier van opstaan en gaan zitten, haar handbewegingen. Maar 't ergste is, ze „doet" heel anders dan moeder, je weet nu net heelemaal niet, wat je aan haar hebt.

Maar ik wou van Liesbeth vertellen, 'k Had de kinderen rij voor rij meegenomen naar de gang en ze daar de kapstok gewezen. Het één: opstaan, twéé: naast je bank, drie: op stap in rij en gelid, kenden ze nu meteen in een moeite door. Nu zaten ze weer stil op hun plaats, terwijl ik de deur sloot en de ramen ging openzetten. Nieuwe verbazing voor velen: een raam, dat van boven schuin openvalt!

Opeens hoor ik duidelijk achter m'n rug: „Nou zeg! 'tBegint hier pas een beetje warm te worden!*.

Sluiten