Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor gehavende kleeren en vechtpartijen. Nu, met Piet als „hoofdkommesares" durfde ik 't wagen, zijn leiding waarborgde me, dat het „zonder kleerscheuren" zou afloopen. Werd er een „dief gevangen en „opgebracht", Piet z'n blonde kop stak boven 't verwarde kluwen uit en dan was ik gerust. „Niet te wild, jongens" waarschuwde ik nog eens onder 't voorbijloopen, „u let er wel op, meneer de commissaris!" Dan tikte hij, geheel in z'n rol, even aan z'n pet, lachte me met z'n zachte blauwe oogen geruststellend toe en zei: „Ja juffrouw." En dan liet ik ze hun gang maar weer gaan.

Z'n prestige in den speeltuin werkte ook in de klas nog door. Daaraan schrijf ik het ten minste toe, dat hij nooit werd uitgelachen, als hij zich bij de leesbeurt moeizaam en hakkelend door de zinnen heen werkte, fout op fout makend. Of als hij, groote lummel van elf jaar, nog maar steeds de tafels niet onder de knie kon krijgen, en me geen antwoord wist te geven op m'n vraag, hoeveel 7 keer 8, of 9 keer 6 was. 'k Geloof, dat de heele klas volkomen mijn meening deelde, dat Piet „heel erg dom" was, maar dat je op de heele wereld geen betere jongen zou kunnen vinden.

Toch was er nog één leervak, waarbij ik altijd op Piet z'n volle aandacht kon rekenen. En dat was: bij het zingen.

Op de eerste zangles ontdekte ik het al. Ze mochten zelf om de beurt een van de liedjes kiezen, die ik ze in de vorige klas geleerd had. En natuurlijk koos er eentje al heel gauw: „Duifjes, met uw blanke veeren". Waarom „natuurlijk?" Omdat ze merkten dat ik 't zelf nooit koos. Toch had ik 't ze eerst geleerd en vond ik het zelf ook een lief liedje, maar ze „zakten" onder 't zingen zoo geweldig, dat 't niet om aan te hooren was. En mijn stem had niet altijd de kracht, om ze op de goede hoogte

Sluiten