Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Prachtig, Piet! Heb je de kist weer gesloten en den sleutel teruggebracht?"

't Was altijd in orde. In dat opzicht was hij zijn leeftijd eerder vooruit dan ten achter.

Geen dag ging er voorbij, dat hij me niet op een of andere wijze van dienst was. Er was b.v. een jongen, die te veel rauwe stoofperen gegeten had, en wiens maag er op een gegeven oogenblik, midden onder de les, de brui aan gaf. Dadelijk zocht mijn oog m'n altijd gewillig factotum.

„Och Piet, wil jij even meegaan, om hem eens netjes af te wasschen? En haal je dan wat zand om hier overheen te strooien? Ja, de bank wil je wel even met de spons afnemen, he? Maar daarna frisch uitspoelen, Piet!"

Kwam de perensnoeper weer binnen, en zag hij nog bleek en glazig, dreigend met recidive, dan was het:

„Zeg, Piet, je moest den hoofdonderwijzer eens gaan opzoeken. Neem Jantje maar mee, en vraag, of je hem even naar huis mag brengen."

En dan kon ik er heel gerust op zijn, dat Jantje veilig bij zijn moeder zou belanden.

Moesten de inktpotten bijgevuld of schoongemaakt worden, tot wien kon ik mij beter wenden dan tot Piet? Met het grootste plezier bleef hij er een half uur voor na, en verrichtte het onsmakelijk baantje handig en vlug. 'k Geloof dat hij, ook zonder de reep chocolade, die 'k vond dat hij dan toch ten minste wel bebben mocht, tevreden om half vijf naar huis zou gegaan zijn.

Z'n groote onmisbaarheid bleek me echter pas, toen het kachelweer werd. Voor kachels aanmaken en -houden had hij een beslist talent. En na een paar dagen liet ik dien tak van dienst dan ook met de meeste gerustheid in zijn handen.

„Piet, kijk eens, of er niet wat bij de kachel moet;"

Sluiten