Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELSJE.

„ .... en toen ze weer wakker werden, waren ze heel verbaasd dat hun Vader en Moeder er niet meer waren. Ze sprongen overeind, om ze te gaan zoeken en ze riepen zoo hard ze konden: „Va-a-der!" en „Moe-oe-der!", dat het door het heele bosch weergalmde. Maar antwoord kregen ze niet. Toen werden ze toch wel een beetje ongerust. Waar konden Vader en Moeder gebleven zijn? En weer riepen en schreeuwden ze, en ze keken naar alle kanten uit, of ze hen nog niet zagen aankomen. Maar — alles tevergeefs. "

„Toen begon hun hartje toch wel heel hard te kloppen, want ze voelden zich zoo eenzaam in dat groote bosch. De oudsten hielden hun tranen nog in en bleven maar roepen, al beefden hun stemmetjes ook. Maar de kleintjes snikten en schreiden zoo luid ze konden, terwijl zij "

„O, juffrouw, ik ben zoo bang," klinkt opeens een schril stemmetje, dwars door m'n vertelling heen.

't Is Elsje. Ze staat overeind in haar bank, de oogen wijd open van ontzetting. Voor dit gevoelige hartje zijn zooveel angst en spanning te zwaar om te dragen.

Door de klas gaat een gemompel van teleurstelling. Hé, dat flauwe kind ook weer! 't Werd nu juist zoo mooil En ze kijken me smeekend aan, om mij te bezweren, me er toch niet aan te storen. Ze lezen de woorden van m'n lippen en de temperament-volsten roepen: „Hé juffrouw, gaat u nou verder."

Sluiten