Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bok, maar eerst moet ze even lachen."

Een blikken keteltje was ze: gauw heet en gauw koud.

„En juffrouw?" vroeg het Hoofd, toen hij even in de klas moest wezen, „hebt u 't ze al verteld?"

„Nee m'nheer," zei ik haastig, in de hoop, dat ik het gevaar nog afwenden kon, „dat heeft nog wel even den tijd."

Maar hij scheen me niet te begrijpen, en zei: „Nu dan zal ik het ze maar eens vertellen."

Breed en vierkant plaatste hij zich midden voor de klas, leunde met beide handen op de voorste bank en overzag de rijen met een veldheersblik.

Als een electrische stroom ging het door de kinderen; ze voelden 't allemaal: er kwam wat, en 't was slecht nieuws. Hulpeloos keken ze eerst naar mij en toen weer naar het strenge gezicht van den hoofdonderwijzer.

Nadat hij op deze wijze stemming gemaakt had, begon hij pas te spreken. Zijn stem had de plechtige klank, die ieder onderwijzer er bij gepaste gelegenheden in weet te leggen:

„Kinderen, jullie mag je juffrouw nog wel eens goed aankijken. Want — ze gaat bij ons vandaan, naar een andere school, een heel eind hier uit de buurt."

Even wachtte hij; toen kwam, verpletterend als een een doodvonnis, de klap op de vuurpijl: „Aanstaanden Zaterdag is ze hier voor 't laatst."

Met een zekere spanninng liet ik mijn blik over de klas gaan, want ik was toch benieuwd, hoe ze het zouden opnemen.

Neen hoor, ik had me niet in ze vergist: ze vonden het naar. Er lag iets van verwijt in hun blik; ik hoorde: „He, juffrouw!" en „Wat jammer!" roepen.

Sluiten