Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten geven, 'k Vergeleek hem in gedachten vaak bij een jong stiertje, zoo woest en ontembaar was hij. 't Had een van de beste leerlingen kunnen zijn, want hij had een uitstekend verstand, maar hij verkoos geen vijf minuten achtereen op te letten of z'n best te doen. Maakte hij bv. een taallesje, dan was 't opmerkelijk, het verschil te zien tusschen den eersten regel en den laatsten. Trouwens, schrijven was niet zijn lievelingsvak, altijd brak hij de punt van z'n potlood, altijd trof hij een griffel, dat kraste.

En toen we met pen en inkt begonnen, werd 'tnog slimmer. Nu eens „spatte die akelige pen zoo erg", dan weer „zat er telkens een haar aan" of „viel er zoo maar opeens een klad op z'n werk". Dat waren nog de dagen dat hij te regeeren was. Maar nu kon je 't ook nog treffen, dat hij een van z'n woeste buien had. Dan smeerde hij getroost z'n heele schrift vol, „want er was een mop op gevallen, en dat had hij niet gezien en toen had hij er zóó met z'n hand over gestreken." En als hij nog maar niet met opzet propjes papier in z'n inktkoker stopte en daarmee z'n heele bank vol knoeide, dan had ik nog niet eens wat voor 't zeggen.

In 't speelkwartier was hij 'tergst. Je kon hem haast niet met de andere kinderen laten meespelen. Altijd werd 't ruzie en vechten in zijn hoek. Bij ieder spel wou hij de lakens uitdeelen, en begon dat de andere jongens te vervelen, en lieten ze hem niet meedoen, dan zocht hij z'n troost in 't plagen van de kleintjes. .Juffrouw, Arie het me pet over de schutting gegooid. Arie het me fliegmessientje afgegapt, Arie smijt me suurtje in 'tsand", klonk het dan huilend van alle kanten. Of hij kreeg z'n „kippekuur" en begon als een gek over de speelplaats te hollen, zwaaiend met z'n armen en alles en iedereen omver loopend. Geen oogen had je genoeg voor dien jongen.

Sluiten