Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens kregen we een nieuweling, een oolijke kaaskop. Die had blijkbaar z'n oogen en ooren op de rechte plaats. Met zijn oordeel over Arie was hij tenminste gauw klaar en 't was raak ook. In 't speelkwartier stond hij eerst even met een stuk of wat jongens te smoezen en te gniffelen. Toen maakten ze een lange rij en begonnen met groote stappen de speelplaats af te loopen, precies in de maat. En daarbij riepen, neen schreeuwden ze uit volle borst:

Arie-bombarie, Je neus staat krom! Een dubbeltje segare En 'n dubbeltje werom!

't Vers sloeg oogenblikkelijk in. Alle kinderen hielden op met spelen en keken lachend toe. Toen 't voor den tweeden keer ingezet werd, was de rij al dubbel zoo lang, 'k geloof dat de heele klas er achteraan wilde. Maar daar had je Arie. Met z'n vuisten wou hij den nieuweling te lijf en 'k moest er vlug tusschen komen.

„Bedaar maar" zeg ik, ,,'t gaat heelemaal niet op jou, want je neus staat toch niet krom. Maar als je zoo'n vechtersbaas blijft, dan kon je er wel eens een tik tegen krijgen, dat ze reden hadden, het te zingen."

En den kaaskop gaf ik den raad, dat versje maar voor z'n moeder te bewaren, want dat ik 't niet meer hooren wou. En dat de kinderen hier uit de klas elkaar nooit mochten plagen.

Daarmee was 't uit en 't rijmpje hoorde ik ook niet meer. Maar de bijnaam was t e toepasselijk, te mooi. Die zat. Eerst werd hij er woest om en gaf 't aldoor kloppartijen. Maar toen gingen ook de jongens uit de hoogere klassen hem zoo noemen, en zelfs z'n eigen groote broers. Toen kon hij er niet meer tegen op, hield zich groot en lachte

Sluiten