Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker een vlieg in het water gevallen", dacht ik bij mezelf, „zoo meteen zal ik 't wel hooren."

't Hoofd scheen de ongewone drukte ook gemerkt te hebben: hij zette maar gauw de deuren open.

En daar had je ze, daar kwamen ze aanstormen, holderdebolder de trap op, elkaar duwend en stompend, om toch maar de eerste te zijn, die 't groote nieuws aan de juffrouw komt brengen. In een prop drongen ze de deur in, hijgend en opgewonden:

— Juffrau, Arie is oferreje.

— Hij is onder 'n auto gekomme.

— Ja juffrau, mit se hoofd dr onder.

— Nietes, mit se beene.

— Och seg, jij sting dr niet eens bij.

— Hij is dood, juffrau!

— Och ga weg.

— Welles, hij had se ooge toe, roe die meneer 'm optilde.

— Nou, dan hoeft-ie toch nog niet dood te zijn. Seg! Die is goed.

— En die meneer het 'm in de autau gedrage.

— En toe benne se met 'm weggereje.

— Waar benne se nou met 'm na tóe, juffrau!

— Nou, na se moeder.

— Nietes, na 't gasthuis.

— Of na de plietsie.

— Nee hoor, na 't lijkehuisie.

Zoo schreeuwden en kibbelden ze door elkaar.

Ik voelde, dat ik wit en strak van de schrik werd. Mn hemel, dat levendige, bewegelijke kind! Zou 't mogelijk zijn, dat die dood was! Of, nog erger, verminkt, hulpbehoevend voor z'n verdere leven? Ik moest er niet aan denken, 'k Zag hem vóór me, in tien verschillende houdingen, maar

Sluiten