Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik herademde. 'tWas dus niet ernstig.

„Hoe is 't nu met hem?" vroeg ik.

„O, 't is Goddank goed afgeloopen, dit keer. Ik kom zóó van 't gasthuis en 'k sta 't al net an me man te vertellen; de zuster zegt tegen me: — Hij is al heelemaal thuis hier en hij heeft allemans praats." Nou, dat kennen we, he juffrouw, dan is hij weer boven Jan."

„Waar heeft hij zich eigenlijk bezeerd?"

,Ja, hij zit overal met builen en schrammen. En z'n eene voet zit in 't verband. Maar 't heeft niets te beteekenen, zeggen ze. Ze houen 'm alleen voor de sekurigheid nog wat in bed. Maar met een paar dagen krijg ik hem weer thuis."

Moeder van Ekeren had 't zich wel wat al te rooskleurig voorgesteld, 't Duurde nog wel een paar weken.

En, — ik durf 't haast niet te vertellen, — maar eiken dag genoot ik van m'n rust. En de klas ook. Er kwam een kalmte over de kinderen, waar ik me telkens weer over verbaasde. Zoo gehoorzaam en zoet als engelen waren ze.

Tot ik op een morgen m'n Bombarie weer in de gang hoorde schetteren. En daar stond hij al vóór me, netjes schoon gewasschen, z'n haar in een keurige scheiding gekamd en met de traditioneele spiksplinternieuwe blouse aan. (Dat is zede, alle kinderen die uit het ziekenhuis komen, krijgen een nieuw kleedingstuk aan. 'k Heb 't nog nooit anders gezien).

„Zoo, ben je daar weer?" zei ik, zoo hartelijk mogelijk. „Nou, jij blij he, dat je uit dat gasthuis bent."'

Maar met z'n oude branie trok hij z'n schouders op.

„Huh, 't was dr wat leuk! Van de zusters moch ik alles en die eene dokter die maakte aldoor lolletjes. En dr was zóó 'n groote steene bouwdoos, en die kreeg i k altijd. En die meneer van de auto die het tweemaal een

Sluiten