Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote kist druive gestuurd, heelemaal voor mijn alleen, en toe moch ik se uitdeele, voor de heele saai."

De kinderen stonden er met open mond omheen, en in hun oogen las ik de bewondering en ook een beetje afgunst. Die Arie, die 't zoo fijn had gehad! Dat kon ik toch niet goed verdragen. Ik had juist paedagogische munt geslagen uit dit geval: „Nou zien jullie 't eens; die Arie, die altijd zoo wild en onvoorzichtig is, nu moet hij in 't gasthuis liggen en pijn lijden." En toen hadden ze allemaal wijs geknikt en ze waren diep onder den indruk geweest. En nu zou die jongen 't weer heelemaal bederven. Dan wou ik toch eerst ook nog een woordje zeggen.

„Nou", begon ik, ,,'t was toch niet allemaal plezier. Toen je daar onder die auto lag, toen kon je je lachen toch wel laten."

Maar hij troefde me leelijk.

„Hun, 't dee haast niet eens pijn. En die meneer die lee me soo fersichtig neer en hij hield se handschoene an. En toe see die tege de sjefeur: sachies rije. En ie froeg maar als, of ik errege pijn had. Maar 'k lee wat lekker op die sachte kusses, en hij sat sellef op 't kleine bankie. En 't was soo prachtig binne in die autau, dr hing een spiegeltje in en twee faasies met bloeme....

't Leek wel de zegetocht van Asschepoester in de glazen koets. M'n kinderen gaapten van bewondering en afgunst. En ik gaf 't maar op.

„Kom, kijk maar eens, of je je plaats nog vinden kunt", zei ik. En terwijl hij door de rij liep, hoor ik hem nog verder opscheppen over zn autotocht. Toen liet hij zich in zn bank zakken en besloot z'n verhaal: „Nou hoor, emmes faan gerejel"

O, Arie Bombarie!

Sluiten