Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik wel ergens bij Mientje en haar Moeder zou belanden.

Er hing een weeë walm van vuil waschgoed, vermengd met een scherpen geur van bleekpoeder of iets dergelijks; hoe hooger ik kwam, hoe benauwder de lucht werd, 't benam me haast den adem. Eindelijk op de derde of vierde verdieping ('k was de tel kwijt geraakt) werd ik op 't nauwe portaaltje verwelkomd door de moeder, die ik in 't halfdonker haast niet herkende in haar paars jak, zonder de schoudermantel en de wiebelende gitjes. De deur naar 't achterkamertje stond open en daar stond op 't fornuis de pot te broeien, die de vreeselijke lucht door 't heele huis verspreidde, 'k Moest al m'n moed bijeenverzamelen, om er binnen te gaan.

Maar o, die vreugde van dat kind, toen ze me zag! Met haar twee klamme handjes pakte ze m'n hand vast en zóó verheerlijkt keek ze me aan, of ik minstens een engel uit den hemel was, die haar de belofte van de eeuwige zaligheid kwam brengen.

,Ja" zei ik, „ik kom maar eens naar jou toe, want jij schijnt geen zin meer te hebben, om bij mij te komen."

Ze lachte, een treurig lachje. Toen wou ze wat zeggen, maar op 't zelfde oogenblik kreeg ze een hoestbui. Moeder bood me een stoel aan en maakte haar verontschuldigingen, dat ze me niet in de „mooie" kamer ontving, maar, met een gebaar naar 't hoestende kind, ze kon dat schaap toch niet in zoo'n koude kamer laten.

't Arme kind kon niet tot bedaren komen, ze was bloedrood geworden en de aderen stonden dik op 't voorhoofdje. Ik kon 't niet langer aanzien, beschroomd vroeg ik aan Moeder, of ze misschien niet even 'traam een eindje zou open zetten.

't Was of ik voorstelde, 't kind met haar hoofdje in de kokende waschketel te stoppen, 't Mensch keek me aan,

Sluiten