Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't PRINSJE.

Ze zeggen, dat ze niet meer bestaan, de booze toovenaars en de goede feëen, de sprookjesprinsen en prinsessen. Maar ik weet beter, want 'k heb zelf zoo'n prinsje in de klas gehad.

Hij was geboren in een marmeren paleis met gouden poorten. Zijn ivoren wiegje was bekleed met dons en satijn en had kanten gordijntjes, zoo fijn als spinrag. Toen hij wat grooter werd, zat hij vaak op een fluweelen kussen aan de voeten van zijn moeder, de Koningin, die een schoone jonge vrouw was en steeds een sleepend, zijden gewaad droeg. Dan vertelde zij 't luisterend prinsje bonte verhalen of zong hem weemoedige balladen voor, waarbij ze zich al tokkelend op de harp zelf begeleidde. Soms nam zijn vader, de Koning, hem mede op zijn tochten door bosch en veld. De ernstige man sprak niet veel, maar hier of daar wees hij 't knaapje aan zijn hand een der vele wonderen uit de natuur: een kleurige vlinder, die voor 't eerst de stralende vleugels ontvouwde, of de duizenden doorzichtige blaadjes, die in één nacht aan den statigen ouden beuk waren ontloken.

Zoo groeide 't prinsje op, te midden van schoonheiden goedheid, de vreugde en trots van het edele koningspaar. Tot op een vreeselijken dag de booze toovenaar kwam. 'k Weet niet, wat zijn toorn zoo had opgewekt, ook niet, wien zijn wraak voornamelijk gold, het prinsje zelf of

Sluiten