Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zorg, trokken den kraag nog wat af, keerden hem om en om; hij was in één woord onberispelijk.

't Prinsje keek en keek maar. Naar de glimmende knoopjes, naar 't mooie strikje, naar 't zijden anker, naar z'n twee fijne handjes, die nu zoo klein en sierlijk uit de goed-sluitende mouwtjes kwamen kijken, en toen, even, naar ons. Z'n groote, reebruine oogen met de zwarte schaduwstreepjes der lange wimpers hadden een warmen gloed, 't heele gezichtje bloosde, hij was midden in het tooverland.

En dien ganschen middag is hij daar gebleven. De klas heeft gelezen, geteekend, gezongen, m'n prinsje heeft gekeken, genoten, gedroomd. Telkens op nieuw gleden z'n blikken liefkoozend langs 't mooie blauwe kieltje, dan, aarzelend, krabbelde z'n rosé vingertje even over 't koperen knoopje, peuterde aan 't strikje, streelde eerbiedig het geborduurde anker. Ik kon er m'n oogen niet af houden. Maar zoodra hij m'n blik voelde, trok 't vingertje gauw terug en blozend wendde hij 't hoofdje af. Even later was de verleiding echter weer te machtig en dan kroop het tastend vingertje weer voor den dag en dwaalden z'n oogen weer over den ontzaglijken rijkdom heen., 'k Weet werkelijk niet, wie dien middag meer genoten heeft, m'n prinsje of ik zelf.

Uit mijn handen is hij overgegaan in die van een „meester." Of die 't geheim van z'n vorstelijke afkomst ook dadelijk geraden en hem „niet hard aangepakt" heeft? En ook degene, onder wiens leiding hij vervolgens is gekomen?

En wat hij later worden moet? Stratemaker, omroeper, fabrieksarbeider, of misschien ook glazenwasscher? Ik kan me maar één oplossing denken, en zoo zal 't

Sluiten