Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sefende klas; om 't hoekie benne se, se het 'm se heele gesicht kepot gekrabd!"

„O juffrau, ik durref haas niet te fertelle, wat een freeselijke floek Trui daar fan u gesegt hep," (Kinderen noemen alles wat plat en grof klinkt een „floek.")

Natuurlijk was ik volstrekt niet benieuwd naar zoo'n „floek", 'k wist vooruit, dat 't varieerde tusschen: „pestwaaf," „stinkwaaf", „rotwaaf" en dergelijk fraais, en poeierde zoo'n klikkebekje altijd af, meteen: „Zoo, pas jij anders maar op je zelf." Maar al wisten ze, dat ze steeds nul op 't rekest kregen, toch moesten ze telkens weer opnieuw kwaad van Trui spreken; 't was te heerlijk, 'k Geloof, dat ze haar wel graag eens geknoeid hadden, als ze maar niet zoo bang voor haar grove schoenen en scherpe nagels geweest waren.

En zoo tobden we al een paar maanden met Trui voort, zonder eenige hoop op verbetering, toen 'k op een goeien dag opeens vat op haar kreeg. En dat kan ik zonder eenigen trots vertellen, want 't kostte me niet de minste inspanning, 't was louter toeval.

'k Had in de klas een stuk of wat plantjes, cadeautjes van de kinderen. En nu had ik de gewoonte, elk kind voor z'n eigen plantje te laten zorgen. De kinderen vonden 't heerlijk en — ik had er geen omkijken naar. 'r Eenige nadeel was een kleine overstrooming af en toe, want ze hadden meestal een royale hand van schenken, maar onze smyrnatapijten konden gelukkig goed tegen wjater, en 't „mogen" opdweilen was op zichzelf ook weer een traktatie.

Maar nu gebeurde het, dat een van de kleine geefsters overgeplaatst werd naar een andere school, 'k Had dien dag een beetje luie bui en 'k zat gemoedelijk voor de klas met de kinderen te babbelen:

Sluiten