Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ken een moeder, die haar kind graag verhaaltjes vertelt. Maar ze zijn altijd naar 't volgend model geknipt:

I. Inleiding: Jantje was wel een lief jongetje, maar erg ongehoorzaam aan z'n moeder. Als ze zei „ enz.

II. Voorbereiding tot III: Op een dag lag er een dun laagje ijs in de grachten, maar 't was niet sterk genoeg, om een kind te dragen. Jantje vroeg aan z'n moesje enz.

III Catastrophe.

IV Apotheose: Na dien tijd, enz.

Laatst zou ze hem weer op een verhaal trakteeren.

„He ja Moeder," zei 't ventje. Maar dan eens niet zoo'n verhaal van „na dien tijd."

Ik merk met schrik, dat m'n verhaal van Trui ook veel gaat lijken op een van „na dien tijd."

Nee hoor, ze werd heusch geen suikeren engel. Ze was en bleef 't zelfde lastige, dwarse, humeurige kind en ze maakte nog even vaak ruzie met haar klasgenootjes. Maar ze deed 't niet meer met opzet, ze probeerde werkelijk, goed op te passen. Natuurlijk lukte dat den eenen keer beter dan den anderen, maar dan begonnen we allebei den volgenden dag weer net, of er niets gebeurd was.

En één dag herinner ik me, toen heeft ze zichzelf overtroffen, 'k Was erg verkouden en zoo heesch, dat 'k geen geluid kon geven. Toen om negen uur de bel ging, riep ik fluisterend de clementie van de klas in. Ik schreef wat werk voor ze op 't bord en dacht bij mezelf: „Hoe komt die dag om!"

Ze hebben allemaal hun best gedaan, dien dag. Maar't is niet allen even zwaar gevallen. Een ordelijk rustig kind heeft niet veel moeite, met eens een dag extra stil te zitten. Maar dat ik Trui dien heelen langen dag niet één keer heb hoeven te verbieden! Kunnen wij volwassenen ons zelfs maar indenken, hoeveel inspanning het dat on-

Sluiten