Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dokter geweest en die zei, dat ie klierachttg was. En nou had ie levertraan, maar ze kon 't er met geen mogelijkheid bij 'm inkrijgen.

Jopie stond er bij en lachte tegen me.

Waarom wil jij je levertraan niet zoet innemen?" deed ik barsch.

„O juffrouw, 'k wed dat ie 't voor u wel doen zou; u moet es hooren, hoe die thuis over u praat, 't Is de heele dag: de juffrouw doet zus en de juffrouw zegt zoo!"

„Breng jij die levertraan maar mee", zei ik, trotsch op m'n overwicht.

En werkelijk, ofschoon we allebei al griezelden, als 't fleschje open ging, toch slikte 't kind gewillig het walgelijke goedje, nu ik 't hem voerde. En 't werd een band meer tusschen ons.

Hij had voor mijn persoonlijke aangelegenheden al evenveel interesse als ik voor de zijne, 's Middags na vieren bleef hij nog wel even omhangen in de klas. „Sa 'k 't bord maar schaunfajge?" was 't dan, of: „Mag ik de lichte uitdraaie?"

Zag hij dan, dat ik me nog niet dadelijk aankleedde en nog 't een of ander te doen had, dan had hij medelijden.

„Mot u nu al die boekles nog nakaake?" vroeg hij dan • meewarig, „En auk nog een lessie foor morrege op 't bord schraafe?"

Eens — 't was een paar dagen voor de zomervacantie vroeg hij me: „Wat gaan u nau de hajle dag doen, as 't fekansie is?"

Ik vertelde hem, dat ik naar buiten ging, naar het bosch, en alle dagen groote wandelingen ging maken.

„En kan 't poesie dan maj? Naj? Wie mot er dan foor 'm sorrege?

Ik had de klas een paar dagen geleden van ons jong

Sluiten