Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MEIJERTJES.

„Alida Antonia en Antonia Alida — of andersom," stelde bet Hoofd ze voor, met een quasi-plechtige armbeweging.

Ze stonden kleintjes en armoedig tegen elkaar aan gedrukt in de groote schoolgang, maar hun loerende oogjes keken toch dadelijk met een zekere vrijmoedigheid naar mij ^op. 'k Zag twee precies eendere bleeke oude-vrouwtjesgezichtjes met rood omrande oogjes onder twee gelijke kakelbonte wollen mutsen, twee dezelfde solide wintermantels (knappe kleeren, maar zonder zorg of smaak gekozen voor deze schriele kindertjes) en daaronder' twee paar stokkerige dunne beentjes, waar de te wijde kousen slordig omheen slobberden. Ondanks den betrekkelijken welstand van hun kleeding maakten ze zoo'n zieligen, armzaligen indruk, dat het meelij me bekroop.

Maar toen ik ze meenam naar de klas en ze in het zijgangetje hun kapstok wees, vielen ze me toch weer mee. Wel leken ze zonder die dikke jassen haast angstwekkend dun en schraal en hingen de confectie-jurkjes zoo wijd om hun magere polsen en nekjes, dat m'n eerste gedache was: „He, even een naald en draad, om al die drukknoopjes te verzetten," maar zij zelf schenen zich behaaglijk en op hun gemak te voelen. Zij begonnen tenminste dadelijk heel vertrouwelijk met me te babbelen.

„Op 't foorige school hinge me ook altijd naas mekaar",

Sluiten