Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrouwde de een me toe, waarop de ander voortging: „en me satte ook naas mekaar in de bank."

„Hoe noemt moeder jullie nu eigenlijk?" vroeg ik, want ik voelde toch de noodzakelijkheid, ze vroeg of later uit elkaar te leeren kennen, al zag ik er voorloopig ook niet de minste kans toe. En daar ratelden ze weer door elkaar als een lesje, dat ze al zoo vaak hadden opgezegd, dat ze 't wel droomen konden: „Ikke heet Ali en ik Tonia. En we heete allebei na ons pa en moe — want me moe heet Alida en me pa Anton."

„Ali en Tonia," dacht ik, terwijl ik ze samen in een bank zette. „Dan moet ik A/i /inks hebben, zoo leer ik ze het vlugst uit elkaar." En toen ze daar zoo naast elkander zaten, de twee precies eendere figuurtjes, had ik er toch wel schik van. 'k Was er geloof ik zelfs een beetje trotsch op, 'kvond het zoo iets, waar je thuis van vertellen kunt:

,,'k Heb een tweeling in de klas gekregen, en ze lijken op elkaar als twee druppels water. Ik ken ze met geen mogelijkheid uit elkaar, als ze niet op hun vaste plaatsje zitten."

'k Vóelde 't haast, alsof ze van mezelf waren. Och, och, wat zou m'n vreugde me gauw vergaan!

Zij zullen misschien twee of ten hoogste drie dagen in de klas geweest zijn, toen op een morgen een klein meisje, dat achter ze zat, plotseling in tranen uitbarstte: ,Juffrau, dat nieuwe meissie het me sponsedoos afgegapt," waarop het tweeling dadelijk in koor begon te schreeuwen: „Nee juffrau, wij niet, gerust niet, fraag u maar aan de andere kindere." ,

M'n eerste werk was natuurlijk, de gemoederen te kalmeeren.

„Bedaar maar," zei ik tegen 't kleine ding, „die sponse-

Sluiten