Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er kwamen van de winkeliers uit de buurt, waar ze quasi met een boodschap binnenliepen en dan met aapachtige snelheid 't lekkers van de toonbank gristen. En nooit kon je ze tot een bekentenis brengen, ze zetten dadelijk een vervaarlijke keel op en dreinden, dat ze 't „heusch niet" gedaan hadden en dat 't dan zeker „me sussie" was geweest, wat bij hun groote gelijkenis en eendere kleeding ook werkelijk moeilijk uit te maken was.

Hun armzalige gezichtjes leerde ik op den duur wel uit elkaar, hun nog armzaliger zieltjes echter nooit, 'k Zou niet weten, wie de leugenachtigste, de doortraptste van de twee was. Meestal beraamden ze samen hun plannetjes en speelden elkaar er voor uit, als 't ontdekt werd. Ook als leerling waren ze een ramp in de klas: lui, slordig, babbelziek, onoplettend, zonder liefhebberij of belangstelling voor iets. Ze waren echter niet dom genoeg, om ze te kunnen laten zitten en zoo sleepte ik ze een paar maal mee over.

Tot ze me op een goeien dag kwamen vertellen: „Juffrau, me moe het soo'n rusie gehad met de juffrau van één hoog, en nou gane me lekker verhuise." En een paar dagen later: „we komme heelemaal in de . .straat te wone en dan gane me hier fan 't school af."

'k Dorst m'n ooren niet te gelooven, maar 't Hoofd kwam 't mij spoedig bevestigen.

Den laatsten dag brachten ze me hun portret. Daar stonden ze ten voeten uit, in hun mooiste plunje, ter weerszijden van een bloemstuk of een tuinhek of zoo iets.

Toen 'k dien middag thuis kwam, heb ik 't portret nog eens goed bekeken en het toen — wat 'k voor en na dien tijd nooit met het portret van een leerlingetjë gedaan heb — in kleine stukjes gescheurd.

En 's avonds bij de thee heb ik op iets heel lekkers getrakteerd.

Sluiten