Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sinds dien dag kwam hij ons vrij geregeld de eer aandoen en zijn grootste vreugde was, als ik in de handen klapte om mee in de rij te mogen loopen tusschen al de „groote kinderen." Dan straalden z'n oogen als sterren en hij stapte, alsof 't parade was.

En een enkel keertje, als de „groote deur" al dicht was (de laagste klassen hadden een aparten ingang) en niemand ons dus zag, mocht hij heel eventjes mee naar binnen en naast z'n zusje in de bank zitten. Dan hadden we allemaal evenveel plezier, Steefie, de kinderen en ik, want we wisten allemaal wel, dat 't eigenlijk contrabande was. En dan vond ik altijd nog wel een mooi plaatje of een suikerpepermuntje in de kast en daarna zei ik tegen een van de jongens: „Laat jij 'm zachtjes even de deur uit, maar loop op je teenen, want alle klassen zijn al weer lang aan 't leeren!"

„Ik kom later ook bij u in de klas", zei Steven altijd met groote beslistheid en dan antwoordde ik: „Da's goed hoor, dat doe je." En werkelijk wilde het toeval, dat toen hij op school kwam, ik juist m'n klas aan een „meester" moest overgeven en afdaalde naar de kleintjes.

Toen z'n moeder hem kwam brengen en 't Hoofd ons officieel aan elkaar wou voorstellen, moesten we allebei toch wel erg lachen en we schudden elkaar de hand als een paar oude bekenden.

Je kunt je dus al geen beter verstandhouding denken, dan die tusschen kleinen Steven en mij. En 't lijkt misschien ongeloofelijk, als ik nu ga vertellen, dat we haast geen dag vrede met elkaar gehad hebben in al de twee jaar, dat hij bij mij in de klas zat.

Was hij dan zoo ondeugend ? Och nee, dat niet; hij kwam uit een knap, ordelijk gezin en had geen bizondere fouten of gebreken.

Sluiten