Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trouwens, dat misnoegen zakte bij de minuut en in minder dan een kwartier waren we de beste vrinden. Hij vertelde, dat hij „Gaassie" heette en z'n „klaane sussie: Jaupie", dat hij thuis ook nog een „klaan poesie" had, „kaak maar!" waarbij hij z'n beide handen toonde, die vol krabben zaten. En nog zooveel meer had hij me te vertellen, dat het alleen maar jammer was, dat ik m'n aandacht niet bij hem alleen kon bepalen; 'k had mij best met hem geamuseerd. Maar 'k had warempel nog wel iets anders te doen. Dus zette ik hem op z'n plaats en zei, dat hij daar stil moest blijven zitten en z'n mondje houden, dan ging ik nu aan alle kinderen iets vertellen, aan hem ook.

Maar jawel! Nauwelijks had ik mij omgedraaid of ik voelde hem achter aan de slip van m'n schort: „Tante! Haur nau nog's effies!" En daar barstte een lang verward verhaal los, dat niet te remmen of te stuiten was. Tot hij eensklaps het telraam ontdekte en met een stralenden lach op z'n gezicht zichzelf onderbrak: „Wat 'n lollige balletjes! die ke je niet ajte, he? sajkers om fan te lajre!"

Met een zoet lijntje troonde ik hem weer naar z'n plaats en probeerde, mij even met een paar anderen bezig te houden, die m'n hulp en steun nog meer noodig hadden. Maar daar klonk z'n forsch geluid alweer over de klas: „Au kaak es, 'n poes! daar op 't dak an d'auferkant! Haj sit- op de mussies te loere; wat 'n kreng, he? Sa 'k 'm 'n stajn na se kop smajte?"

En zoo ging het dien heelen eersten morgen. Geen oogenblik kwam hij tot rust. Alles wat hij opmerkte, aan mij, aan de andere kinderen, aan 't lokaal, dat alles moest tot uiting komen. Met groote belangstelling informeerde hij naar doel en beteekenis van alles, wat hem nieuw en onbekend was: het bord, het rekenrek, de leesplank, het

Sluiten