Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer keek ik naar m'n Oostersche prinses. En opeens, met een schok, zag ik, dat dit .kind geen kind was, maar een oud vrouwtje in miniatuur. Kwam het door die ouwelijke omslagdoek, door de gelige bleekheid van 't magere gezichtje, door het wisselen der tandjes, wat haar een mummelmondje gaf? Nee, dat was het allemaal niet: 't was het ouwelijke, zorgelijke kijken der half toegeknepen oogjes, 't was het ouwelijke, zorgelijke zieltje zelf, dat me uit die oogjes aankeek.

Ze schenen te weten, die oogjes, van al de zorgen en pijnen der aanstaande bevalling, ze schenen me levenswijs toe te knikken met een: ,Ja, wat zeg je dr van, nou al nommer vier, waar moet het op die manier naar toe? En wat een moeite en getob, om die allemaal fatsoenlijk groot te brengen!"

En met ontzetting dacht ik: Wat moet dat kind in.die zes jaar van haar bestaan aan levensvreugde te kort zijn gekomen, met hoeveel zorgen en zorgjes is dat heel-jonge zieltje al bezwaard, dat het nu reeds iedere frischheid, iedere veerkracht mist! Of, erger nog, zou het die ooit wel bezeten hebben? Zouden misschien de zorgen en bekommernissen van een lang voorgeslacht al vóór de geboorte hun stempel op haar hebben gedrukt; zou ze met dit oude versleten zieltje op de wereld zijn gekomen?

Twee jaar hield ik Juudje in m'n klas, niet één keer in al dien tijd zag ik haar als een echt kind. Spelen deed ze nooit. ,Je schoene hebbe d'r zoo van te lije en de kindere ► trekke je altijd je goed stuk", antwoordde ze, als 'k haar vroeg, waarom ze niet mee hinkelbaantje of kruip-doorsluip-door speelde. Veel liever kwam ze aan m'n arm hangen, om me deelgenoot te maken van alles, wat er zoo zwaar op haar hartje woog.

Sluiten