Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelederen, nog steeds mee over had kunnen sleepen, 't heele gezin stond toch ongunstig bekend.

Vader was kellner en blijkbaar geen geheel-onthouder, moeder een eerste ruziezoekster, 't groote zusje leende ik al uit de handwerkklas als een lastige onhandelbare meid en over Jan luidde 't oordeel van den onderwijzer, die hem nu had laten zitten: een onverschillige vlegel, waar niets mee te beginnen was.

Toen er dus tegenover mij nog onwil bij kwam, of liever de zeer bewuste wil om duidelijk te demonstreeren, dat hij „maling had an dat malle waaf", kan ieder begrijpen, hoe'n plezierige leerling ik aan hem kreeg. Onomwonden verklaarde hij door z'n heele gedrag, dat hij niet verkoos door te werken, op te letten, z'n best te doen, in één woord: mij te gehoorzamen.

'k Geloof, dat hij graag had gezien, dat 'k mij vreeselijk kwaad op hem gemaakt had; hoe meer scènes, hoe liever. Maar gelukkig was ik zoo wijs, den vrede in m'n prettige klas zoo min mogelijk door hem te laten verstoren. Ik zette hem achteraan in den onschadelijksten hoek en liet hem daar maar in z'n eigen sop gaar koken. En pas wanneer hij de rust van de andere kinderen of van mijzelf al te zeer bedreigde, zei ik: „Jan, ik kan je niet langer gebruiken, ga maar een beetje aan den muur staan!

Nu had ik nog één voorrecht en dat was, dat ik geen geweld met hem hoefde te gebruiken. Ik denk haast, dat het tegen z'n eer was, om zich nog door een „juffrau" te laten aanraken. Tenminste na zoo'n sommatie stond hij altijd dadelijk op, trok een gezicht, alsof hij zeggen wou: „Mensch, 'k ben blij, dat ik es even niet naar je vervelend gezicht hoef te kijken" en slofte naar den muur, waar hij als een baliekluiver tegenaan ging staan hangen.

Na een kwartiertje had hij dan ook daar wel weer ge-

Sluiten