Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoenen (afleggertjes van z'n moeder) gemoedelijk naast je voort, 'tls wel eens gebeurd, dat ik bij den hoek van de straat gekomen, tegen hem zei: „Ziezoo, ga nu maar gauw naar je moeder, maar pas op voor de trams." Daar moet nu niemand iets onvriendelijks van denken, maar die straat kwam uit op een van onze groote pleinen en Jassie met z'n verfomfaaide, rafelige pruik ongekamd haar, z'n altijd druipend neusje, z'n havelooze kleedij en veel te groote schoenen, waarvan de leege punten als van een schaats omhoog staken, Jassie was heusch een cavelier, waarmee je bekijks had bij 't oversteken van een druk plein. Maar hij liet zich niet afpoeieren, keek me eens beschermend aan en zei dan: „ik bring u eerst nog een endje." En ik had niet het hart, er iets verder van te zeggen, want dan zou ik hem doodelijk beleedigd hebben.

Dom was hij lang niet, en ik heb nooit begrepen, waarom m'n collega hem had laten zitten-blijven. Z'n werk was wel altijd slordig, maar wie kan van een kind dat altijd slordigheid en onzindelijkheid vóór zich gezien heeft, dat nog nooit van z'n leven goed-schoone handen en heldere passende kleeren gehad heeft, verwachten, dat het onberispelijk werk zal afleveren? Ook was het lezen een struikelblok, z'n stotteren werd natuurlijk nog eens zoo erg, als hij z'n eigen stem zoo alleen over de klas hoorde. Maar voor de rest kón hij best mee en sommen maken deed hij zelfs graag en goed. Als hij maar niet zoo'n ongelukkige driftige bui had, was hij heusch geen naar kind in de klas, want hij was levendig en altijd vol belangstelling. Ook had hij beslist een hartelijken aard en zelf ook veel behoefte aan hartelijkheid. 'tWas soms zelfs aandoenlijk om te zien, hoe hij aansluiting zocht bij de andere jongens, die hem meden om z'n buitenissigheid en z'n onredelijke driftbuien, 't Meest speelde hij ook met een paar van de

Sluiten