Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen moeten voorstellen, bezit dan gelukkig ook een gewoon normaal hart en een gewoon gezond medelijden.

En zonder dat zijn genegenheid voor den meestal afgetrokken, licht opstuivenden scheikunde-ieeraar nu bijster groot mocht heeten, vond Tobias het een ondragelijk denkbeeld, dat de versteende Dr. Stolp daar als het standbeeld van zich zelf nog in het laboratorium stond, stijver dan een Egyptische mummie van twintig eeuwen geleden, onbuigzamer dan een van de houten balken van zijns vaders zolder, en schrikwekkender dan de griezeligste vogelverschrikker.

Was echter zijn medegevoel groot voor het ellendig lot, dat zijn leeraar zoo plotseling getroffen had, nog grooter was zijn gevoel van angst!

Wat ware toch eenvoudiger geweest dan om hulp te roepen, hetzij in het H. B. S.-gebouw, waar Zaterdagmiddag toch stellig de conciërge zich in een van de lokalen moest bevinden, of waar de directeur zich toch gewoonlijk in zijn kamer ophield ? Waarom op straat de hulp niet ingeroepen van den eersten den besten voorbijganger, of van een agent van politie ? En waarom, thuis gekomen, zijn ouders niet \gewaarschuwd, opdat die dadelijk maatregelen hadden kunnen beramen, teneinde zoo vlug mogelijk afdoende hulp te brengen?

Dit alles lag de arme Tobias dien nacht, onrustig in zijn bed woelend, te overdenken. Waarom had hij niets van dit alles gedaan ?... Hij wist het niet o, hij wist het niet!

Hij was thuis gekomen, bevend en klappertandend, of hij een plotselingen koortsaanval te doorstaan had. Aan tafel had hij zijn oogen niet van zijn bord durven opslaan, en hij was maar blij, dat zijn vader hem, na een krachtige opmerking: „dat hij zeker weer school had moeten blijven voor zijn achterlijkheid in de scheikunde!", verder ongemoeid had gelaten. Zijn moeder had wel gevonden, dat hij er overstuur en slecht uitzag, maar toen zij bijna geen antwoord ontving op haar zorgelijke vraag, of hem iets scheelde, had zij hem verder niet lastig^ gevallen.

Sluiten