Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De keukenmeid: — „Dat is 't 'm juist, m'neer l.... Ik zou 'm wel open willen doen, maar dat kan ik niet!"

De vader: — „Waarom kun je 'm vanmorgen niet openmaken ? Je maakt dien satanschen kérel nu al bijna vijf-entwintig jaar eiken ochtend open"....

De keukenmeid: — „De tusschendeur in de benedengang kan ik niet open krijgen, m'neer".

De vader riep hierop een woord, dat gelukkig verloren ging door een nieuwen bons op de voordeur; maar het moest een leelijk woord zijn, dat is zeker, want Tobias hoorde hoe zijn vader grommend en brommend de trappen afstoof, en hoe hij zelf aan de tusschendeur in de benedengang begon te rukken. Het was een gewone tochtdeur zonder knop of sleutel, die door een veer van zelf dicht trok; ditmaal scheen de deur te klemmen. Tobias hoorde ten minste hoe zijn vader daar beneden in het onderhuis woedend tegen de deur te keer ging, en van zijn kant dat schuldelooze ding met zijn laarzen ging bewerken. Het hielp evenwel niets. De vader kwam de trap weer op. Tobias keek over de leuning en zag diens rood driftig gelaat. Zijn vader had hem ook gezien.

— „Sta daar niet zoo lummelig te kijken, jongen!" riep hij met een stem alsof hij een gelid domme schutters commandeerde.

„Je moeder ligt te beven in bed door al dat leven! En je

zusters hebben hun kamerdeur afgesloten Steek dus je hoofd

uit het raam en schreeuw tegen dien melkboer, dat hij moet ophouden met de verf van onze voordeur af te trappen— dat we de deur niet kunnen openkrijgen,... dat we vandaag geen melk noodig hebben,... en of hij meteen langs een smid wil loopen om de deur te laten open maken. Begrepen?"

Tobias had begrepen. Hij liep vlug de trap weer op, ging zijn kamertje binnen, en liep op het raam toe om het te openen; maar hij kon het niet open krijgen. En meteen •herinnerde hij zich, hoe hij gisteren bijna zijn arm uit het lid had getrokken bij zijn vergeefsche pogingen om zijn

Sluiten