Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En eensklaps konden de huisbewoners zich rekenschap geven van wat. Over de stille gracht hoorden ze paardengetrappel en wagen geratel; daar bovenuit klonk het bekende heldere belletje van de brandweer. De smid, onraad vermoedend toen alles stil bleef in het huis, waar de melkboer hem had heen gestuurd, had de brandweer gewaarschuwd. Drie minuten later stond zij voor de deur.

— „Is hier de brand?" vroeg de brandmeester van den bok van den hoogen wagen.

— „Nee!" antwoordde de smid; „ik ben hier besteld om de deur open te steken, omdat de menschen in hun huis zitten opgesloten. Maar hoe ik ook bel of tegen de deur trap, ik hoor geen teeken van leven. En toen heb ik bij mezelf geredeneerd, dat 't niet pluis was."

— „En toen heb je de brandweer maar gealarmeerd!" zei de brandmeester humeurig, want van elke drie brandalarmen, waarvoor de brandweer moest uitrukken, hadden er twee beslist geen betrekking op brand. Intusschen was hij van den bok afgeklauterd en beval den brandwachts, een ladder tegen de eerste verdieping te plaatsen. Een van de vlugge kerels klom de sporten reeds op; hij keek door de ruiten naar binnen, maar riep omlaag, dat hij niets zag. Hij klauterde nog een verdieping hooger, waar de studeerkamer van den heer des huizes was gelegen. Ook die kamer was leeg; hij riep dit omlaag en rapporteerde er bij, dat er een ruit stuk geslagen was, zoodat hij daardoor naar binnen kon klimmen, als zijn chef het noodig vond.

Doch op hetzelfde oogenblik wezen de menschen, die op het vernemen van het brandweer-schelletje op de gracht te hoop waren geloopen, naar omhoog, en riepen, dat er iemand over het dak liep. De brandmeester keek ook naar boven.

Werkelijk, daar kwam over den dakrand heen een hoofd te voorschijn. Het was het hoofd van Tobias. De jongen keek volstrekt niet zoo gldnder als anders een jongen pleegt te kijken, die een expeditie over het dak van zijn ouderlijk huis onder-

Sluiten