Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Wat voeren jullie toch uit, jonge man ?" vroeg het hoofd.

— „Och, meneer, eigenlijk; is het niets bizonders; de buitendeur knelt wat en nu kunnen we niet beneden door. Daarom wilden we langs den bovenkant uit ons huis gaan, maar mama en mijn zusters vinden dat griezelig, en daarom gaan ze zoo te keer."

— „Ja, jullie dakgoot is smal en lang zoo veilig niet als de mijne," sprak het hoofd van den buurman, echter zóó hard, dat de twee meisjes, die zonder een vinger te durven bewegen in de smalle en gevaarlijke dakgoot zaten, dit gehoord hadden. Cornelia begon dus opnieuw te snikken, en Fietje probeerde door het luik weer naar binnen te kruipen. Maar Tobias stond er voor en hield trouw de wacht: hij hield haar tegen en trok haar bij de vlecht weer op haar plaats. Daarna zette hij zijn onderbroken gesprek met het hoofd van den buurman voort:

— „Namens papa had ik u juist willen vragen, meneer, of we langs uw dakgoot bij u binnen mochten klimmen, om zoo op straat te kunnen komen?"

— ,Wel zeker, jonge man," sprak het hoofd, „we zijn toch in de wereld om elkaar een beetje te helpen, niet waar? Maar één ding: ik waag mijn nek niet op jullie smalle goot. Wanneer de dames dus zoo beleefd willen zijn, tot aan den rand van mijn goot te komen, dan zal ik ze wel verder helpen."

Daarmee verdween het hoofd, doch geen minuut later knarste het dakluik van den buurman en kroop hij zelf achter zijn hoofd uit het gat, om voorkomend aan den uitersten rand van zijn goot post te vatten. p|flÉI

— „Kom, dames!", riep hij hartelijk; „'n beetje flink zijn en maar niet omlaag kijken, omdat u anders te pletter zoudt kunnen vallen!"

Dit laatste was niet handig van hem opgemerkt, om twee zenuwachtige meisjes, die nog nooit in haar leven langs een dakgoot hadden gewandeld, moed in te spreken. Doch zijn bedoeling was goed, en hij stak zóó hulpvaardig de hand uit, dat

Sluiten