Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoorde er nu eenmaal zoo bij, — al maakte het den wedstrijd wel veel moeilijker.

— „Om eerlijk te zijn," deelde de leeraar ten slotte nog mede, „zullen we na elk tiental klimmers den mast opnieuw insmeeren, anders hebben de jongens, die het eerst fclimmen moeten, het 'tmoeilijkste, en die later volgen het zooveel te makkelijker!"

Dat was eerlijk! dachten de jongens, al stonden ze nu al uit te rekenen, wie de eersten zouden zijn van elke groep van tien en wie de laatsten, omdat alle kleinigheidjes bij zoo'n belangrijken kamp konden mee- en tegenwerken.

Daar stond de mast alweer overeind, zoo glimmend en vet van de groene zeep, dat er heel wat jongens waren, die het als een onmogelijkheid beschouwden, om ooit den onbereikbaar hoogen top te zullen halen.

Zij schenen wel gelijk te hebben, want bij de eerste tien, die uit het gelid hadden moeten treden en beurt om beurt naar boven probeerden te klimmen, was er niet één, die een eenigszins draaglijk figuur sloeg. De handigste klauteraars bereikten nauwelijks een hoogte van drie of vier meter; maar daar schenen hun krachten uitgeput, of de mast was zoo glad, dat ze niet hooger vorderden, al klemden ze armen en beenen nog zoo stevig om den dikken paal. De laatsten van het tiental kwamen werkelijk nog het hoogst, omdat zij zich in den aanvang niet zoo hadden behoeven in te spannen als hun voorgangers, die de verraderlijk gladde zeep met handen en kleeren hadden afgewreven; maar boven hen glom er dan weer een nieuwe laag gladdigheid, en al klommen ze iets hooger dan hun voorgangers, — over de helft van den mast kwam van het eerste tiental niet één!

Het tweede tiental was al even ongelukkig; niemand, die het er langs den opnieuw ingezeepten mast draaglijk afbracht. En ook het derde tiental, dat aan de beurt kwam, stond al spoedig beschaamd aan den kant.

De jongens hadden een dol plezier bij elke mislukte klimpartij. En de stemming steeg, in plaats van te verminderen, ook al

Sluiten