Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ape-jortgens niet hooger konden klimmen dan een manslengte, dachten ze daarom misschien, dat de jongens uit de 3de klas even ongelukkige sukkels waren?... Dat zouden ze 'ns anders laten zien!

En de eerste was al uit de rij getreden op bevel van den leeraar.

— „Hij heeft 'n mooie kans!", riepen de jongens onder elkaar. De kansen van den eerste van dit tiental schenen er goed voor te staan, omdat de mast al wat stroef begon te worden, en de leeraar uit zuinigheid de laatste maal er wat minder zeep op gesmeerd had.

Maar deze eerste bracht het er niet bizonder kranig af! Nu ja, de eerste drie meter klom hij vlug omhoog; maar zoodra hij de vette zeeplaag onder zijn vingers voelde, bleef hij rusten, en zoo, telkens met kleine voorzichtige schokjes, ging hij hooger.

— „Hij komt er zoo nooit!", joelden de jongens. En de leeraar, die aan den voet van den mast stond, toeterde door zijn holle hand omhoog:

— „Als je dacht, dat je tot morgen den tijd had, dan heb je 't mis. Ieder deelnemer klimt hoogstens één minuut!"

Meteen liet de jongen zich met een kwaad gezicht omlaag glijden; hij mompelde zoo iets, dat hij er al bijna geweest zou zijn, wanneer ze hem maar niet van streek hadden gebracht door hem aan den tijd te herinneren; maar al de jongens overstemden zijn protest met hun spotternijen.

De volgende jongen was al weer voor getreden en even vlug als zijn voorganger schoot hij omhoog; hij klom iets hooger dan deze, omdat de vorige bij zijn omhelzing van den mast, een flinke dosis zeep had meegenomen. Doch toen ook hij aan het vette gedeelte was aangekomen, schenen zijn handen geen houvast meer te hebben. Met moeite palmde hij zich nog wat hooger, doch ook zijn knieën glibberden langs den mast neer. Hij keek nog even met een wanhopig gezicht naar boven, liet zich toen, te midden van een oorverdoovend gejoel, met een vaartje omlaag zakken.

Sluiten