Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ionder opgewektheid, noch met zelfvertrouwen, dat hij het er goed zou afbrengen, omhoog.

Hij klom langzaam, zonder zich te haasten, zijn armen en beenen geklemd om den mast, die langs dit onderste gedeelte zijn zeeplaag al lang op de buizen en broeken van de andere klimmers had achtergelaten. Zoo naderde hij dan het gedeelte, dat nog glom van de vettigheid. Tobias sloeg zijn armen vaster om den mast, zijn beenen klemde hij stevig samen; maar het was duidelijk te zien, dat hij het niet ver zou brengen.

De jongens beneden stonden eigenlijk met ondeugende popeling te wachten tot het oogenblik, dat ook hij zijn pogingen zou opgeven en zich naar omlaag moest laten glijden. Het zou niet lang duren, want ook de tijd verstreek en de gymnastiek-leeraar stond onverbiddelijk met zijn horloge in de hand de sekonden te tellen. Doch eensklaps keek de leeraar omhoog en riep met zijn harde stem naar den tobbenden klauteraar:

— „Hei, mannetje 1 wacht jij- daar 's eventjes I... Gelijke monniken, gelijke kappen!... we hebben vergeten na den laatsten klimmer den mast met zeep in te smeren !... Op die manier zou jij 't onverdiend makkelijk hebben !... — al geloof ik niet, dat je daardoor méér kans zou hebben gehad om den top te bereiken!", voegde hij er wat spottend aan toe.

Dit laatste deed de jongens gieren van het lachen, want Tobias was nu niet zoo goed of zoo kwaad, of hij kon zich weer laten zakken, om straks dezelfde hopelooze onderneming voor de tweede maal te beginnen.

Zou hij zich maar niet liever terugtrekken? dacht hij even. Maar zoo'n flauwe jongen was hij gelukkig niet. En wat kon het hem eigenlijk ook schelen, of de jongens ten zijnen koste pret hadden. Hij kon best tegen plagerij. En ook wilde hij niet hebben, dat de jongens hem later zouden voor den gek houden met zijn voordeeltje, dat hij de eenige geweest zou zijn, die als elfde man van zijn groep in een bijna zeeploozen mast naar boven had mogen klauteren.

Sluiten