Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na zijn bijna bovenmenschelijke opstijging!... Hij zat daar zoo vreemd met de gekruiste beenen om den mast, en hij deed zoo gek met zijn handen, al scheen hij toch even met één hand te wuiven ...

— „Kom langzaam naar beneden!" beval de harde stem van den leeraar van omlaag: hij vreesde waarschijnlijk ook, dat er een ongeluk zou kunnen gebeuren.

Toen hoorden de jongens in de doodelijke stilte, die in het lokaal heerschte, Tobias' stem heel uit de hoogte; die stem klonk niet overmoedig, als van een gelukkigen overwinnaar, maar benauwd en geknepen als van iemand, die zich niet op zijn gemak gevoelt, al wil hij het niet bekennen:

— „Ik kan niet, meneer..."

— „Laat je voorzichtig naar omlaag glijden, Tobias!" herhaalde de leeraar met zijn harde stem, die nu echter zenuwachtig klonk, zooals al de jongens hadden opgemerkt.

— „Ik zou wel willen, meneer," klonk de benepen stem van den kampioen uit de hanebalken, „maar ik kan heusch niet..."

— „Waarom niet?"

— „Ik zit vast, meneer," luidde het zonderlinge antwoord; „maar ik zal wel probeeren naar beneden te komen."

Het was nog altijd zoo stil onder de verzamelde schooljongens, dat je een speld had kunnen hooren vallen. Maar men hoorde heel iets anders. Het was net of daar boven in den mast iets scheurde.

Meteen kwam er beweging in Tobias. Hij daalde langzaam en statig omlaag. Hij keek nog altijd volstrekt niet gelijk een gelukkige overwinnaar, die in de rechtmatige afwachting verkeert van de jubelkreten van zijn bewonderaars; neen, eerlijk gezegd, keek Tobias bij zijn nederdaling te midden van zijn kameraden, die nu hun geestdrift niet meer bedwingen konden, wel een beetje ongelukkig en sip; zelfs scheen hij met zijn figuur verlegen.

Terwijl hij langzaam, zonder horten of stooten, doch zacht glierend over de vette zeeplaag naar beneden kwam, barstte nu de oorverdoovende jubel van al die jongens los. Ook de gymnastiekleeraar deed er aan mee; zijn zware stem viel duidelijk te onderscheiden tusschen

Sluiten