Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de deur had gewezen, achtte Tobias het raadzaam, zoo vlug mogelijk aan dien wenk gevolg te geven. Hij was al bij de deur, die op een kier stond, trad al in de gang, stapte al naar de voordeur. Maar vóórdat hij de kruk had kunnen omdraaien, was die valsche kleine Fik hem uit de kamer nagesprongen, beet hem woedend in zijn kuit.

— „Au!" schreeuwde Tobias van schrik en van pijn; en zoo van-streek als hij was, bukte hij zich vlug omlaag, greep den jankenden kleinen keffer bij het nekvel, schudde het valsche hondje duchtig heen en weer, en mepte het met de vlakke hand om de ooren, op den rug en voor z'n honden-achterste. Na deze afstraffing liet hij Fik los. Maar alsof het hondje door een toeval getroffen, was, tuimelde het onderste-boven op den ganglooper; het draaide zich op zijn rug, deed zijn bek open, of het nog éénmaal naar Tobias had willen bijten, of keffen, lag toen onbeweeglijk met zijn vier pootjes recht en stijf in de lucht.

Maar Tobias had zoo lang niet gewacht. De jongen had den glimmend koperen knop al gegrepen, had de zware voordeur opengetrokken, de deur achter zich toegetrokken, en was hinkend van de pijn in zijn kuit de stoep van tante's huis afgestrompeld.

Sluiten