Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zijn winkelruit kapot was, maar de agent had eveneens gelijk, wanneer hij zeide, dat de winkelruit heel was. Tobias begreep er zelf eigenlijk niets van, hoe al die losse scherven hielden, en op hun plaats bleven staan. En de agent, èn de kruidenier schenen dus gelijk te hebben: de ruit was heel en tegelijk moest ze kapot zijn!

De kruidenier was inmiddels, nadat Tobias uit de uitstalkast was weggekropen, op de toonbank geklommen en in de marmeren uitstalkast gestapt. Hij raakte met een vinger voorzichtig aan de ruit; dan tikte hij er met zijn knokel wat harder tegen; eindelijk bonste hij er met zijn vuist op; de stevige winkelruit gaf een hard, vast geluid.

De agent had het voorbeeld van den kruidenier gevolgd; hij was achter hem op de toonbank geklommen en was naast hem in de uitstalkast gestapt.

In de stille straat waren nu eindelijk eenige voorbijgangers langs gewandeld, die echter dadelijk nieuwsgierig bleven staan, toen zij het ongewone schouwspel in de uitstalkast van den winkel zagen, hoe de winkelpatroon en een agent van politie samen tusschen al die kruideniersheerlijkheden stonden en om beurten tegen de winkelruit sloegen. Want de agent had óók voorzichtig het glas betast, tikte er dan wat harder met zijn knoken tegen, en bonste er eindelijk, evenals de kruidenier, met zijn gebalde vuist op.

Doch de winkelruit kraakte, of barstte niet.

— „Hij is heel!" herhaalde de agent nadrukkelijk,

— „Maar . . .", stotterde de verbijsterde kruidenier.

— „Is hij heel of niet?" drong de agent aan.

— „Maar . . .", deed de kruidenier.

De agent scheen ongeduldig te worden. Hij fronsde zijn wenkbrauwen. Hij haalde zijn handschoenen weer uit den achterzak van zijn uniformjas. Hij keek den kruidenier met wantrouwigen blik van terzijde aan.

Tobias had tot dusver met sprakelooze verbazing het verloop van zijn strafzaak gevolgd. Hij had geluisterd naar het gesprek

Sluiten