Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier pooten in de lucht lag, het hondje niet dood kon zijn.

En eensklaps herinnerde Tobias zich, dat hij dezelfde gewaarwording had gehad, slechts kort geleden, toen hij met eenzelfde aangrijpend gevoel gestaan had bij iemand, van wien hij toen angstig vreesde, dat het geen levende meer was, terwijl hij dan in-eens het sterk-overtuigend bewustzijn gekregen had, dat eenzelfde glinsteringetje in diens oogen het bewijs leverde, dat het géén doode was. Tobias zag op dit oogenblik plotseling weer voor zich het starre beeld van zijn scheikunde-leeraar, zooals deze daar roerloos en strak achter de toonbank in het laboratorium gestaan had, een onbeweeglijke stijve mummie gelijk; maar hoe hij toen, tot zijn doodelijke ontsteltenis, twee levende lichtjes achter de brillenglazen van Dr. Stolp had zien glinsteren. Hij herinnerde zich, hoe hij daar in-eens de overtuiging gekregen had, dat zijn leeraar een ongeluk overkomen moest zijn, doch dat de man niet dood was, doch wel degelijk levend, en zelfs bij bewustzijn, al kon hij geen lid verroeren. Trouwens, het ongeluk aan Dr. Stolp overkomen, was in den loop van dezen dag reeds uitgelekt, en in een ochtendkrant had een van de jongens al een kort berichtje gelezen, vermeldend, „hoe Zaterdag te voren een bekend geleerde te dezer stede bij het nemen van scheikundige proeven door een ernstig ongeval was getroffen, dat wel niet den dood, doch ernstige nadeelen ten gevolge had gehad, waaromtrent de geneesheeren in het Gasthuis, waarheen hij vervoerd was, zich voorloopig nog niet konden uitspreken."

Tobias had dadelijk aan dit glinsteren van Dr. Stolps oogen instinctief gevoeld, dat zijn scheikunde-leeraar nog leefde en zich zelfs volkomen bewust was van wat er rondom hem plaats greep, al was de leeraar dan door een onverklaarbare verstijving niet bij machte, het geringste gebaar te maken, of slechts eenig geluid te uiten.

En hetzelfde had nu hier weer plaats bij Fik, het hondje, dat daar roerloos op zijn rug lag uitgestrekt, stijf en hard, maar toch levend; want kwaadaardig en valsch had het even in zijn twee strakke open oogen gevonkt, toen Tobias zich nu was komen

Sluiten