Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Heeft u ook iets gemerkt, dat er wat aan het Paleis op den Dam mankeerde?" vroeg Tobias dringend.

— „Wat mank-heerde?", herhaalde de andere met een dikke tong; „ik zou zoo zeggen, hik, dat alles in h-orde was, toen ik d'r zoo h-juist langs scharrelde."

—! „Stond er niets scheef?" vroeg Tobias nog angstiger.

— „Scheef?", herhaalde de ander met uitvoerige dronkemansomslachtigheid ;... „scheef? ... wel ja, d'r was wat sch-h-eef, nu je d'r toch over pra-h-aat, jongen 1"

— „Wat dan?", drong Tobias aan.

— „Eigenlijk stond alles sch-h-eef!". lachte de dronken kerel grinnikend;... „toen ik daar op die goeie, ouwe Dam stond, toen d-h-acht ik bij mezelf: Kijk nou's an, nou d-h-raait alles om me heen, en alles staat sch-h-eef... behalve h-i-k... ik draai alleen niet, en ik sta alleen recht, hik!"

Tobias begreep, dat het noodeloos was, dien dronkaard verder te vragen; doch hij was tè nieuwgierig, en dus vroeg hij nog:

— „En de koepel op het Paleis?"

— „Die staat óók sch-h-eef!", lalde de aangeschoten man grinnikend van domme pret; „en als je hard genoeg h-loopt dan kan je 'm weer recht zetten ... maar ik ga naar h-huis, want strakkies slaat 't twaalf uur, hik!... Ajusies mejongen!"

En de dronken kerel zwaaide bazelend en zingend de stille straat door in de richting van z'n Jordaan, waar hij den boel nog even op stelten zou zetten, eer hij goed en wel thuis was aangeland.

Tobias haastte zich verder. Op den dronke-mans-praat van dien kerel kon hij natuurlijk niet aan. Want zelfs indien de man den koepel scheef had zien staan, had deze er, in den kennelijken staat, waarin hij zich bevond, geen acht op geslagen, omdat — zooals hij zelf zeer juist had opgemerkt — in zijn onzekere oogen alles scheef scheen te staan.

Hoe dichter Tobias het paleis naderde, hoe meer hij overtuigd werd,* dat de op-zij-hellende koepel nog niet kon zijn opgemerkt door het publiek; want het bleef overal even kalm. Van den kant

Sluiten