Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was het uurwerk van de Paleisklok, het reusachtige toestel, dat hoog op den Paleiskoepel de wijzers van de uurwerkplaat in beweging brengt, opdat dagelijks de duizenden en duizenden, die van den Dam daarheen omhoog kijken, kunnen zien hoe laat de Damklok den tijd aanwijst.

Doch door het onverklaarbare ongeluk, dat dep koepel had doen afscheuren van zijn grondvlak, moesten ook de verbindingsdraden, de stangen en ijzers afgeknapt zijn, die dit uurwerk m de torenkamer met de wijzers en de wijzerplaat van den koepel verbonden. De paleisklok moest dus op dit oogenblik stilstaan, al liep het uurwerk hier beneden onverstoorbaar voort. Het kon omstreeks twaalf uur 's nachts zijn, doch de klok had nognietgeslagen.

Tobias wilde hier geen sekonde langer blijven dan noodig was. Wanneer hij door de open zoldering kon klauteren, zou hij zich op het dak bevinden, dadelijk onder den koepel zelf, die, evenals de deksel van een doos, open stond en naar achter geslagen was. Er waren hier zóóvele stangen en zware ijzeren kettingen en ankers, dat het voor Tobias niet veel te beteekenen had, omhoog te klimmen. Langs het rustig voort-tikkend reuzenuurwerk klom hij naar'boven, tot hij zijn hoofd uit het torenkamertje naar buiten kon steken, omdat de geschonden koepel daar met één snede van zijn ondervlak gescheiden was.

Tobias was zoo vervuld met zijn plan, dat hij geen oogenblik dacht aan het gevaar, dat hij hier liep, nu hij zich vlak onder het angstig achterover hellende koepel-gevaarte bevond. Toch was hij zoo voorzichtig, zoo vlug mogelijk over den torenmuur te klauteren, waarop de koepel nog gedeeltelijk steunde, en op het dak zelf te kruipen. Hij keek rond. Even slechts. Beneden hem lag de stille stad, schemerig verlicht door de maan. Het was een onduidelijk gewarrel van naar alle zijden op-spitsende daknokjes, met zilverachtige pannen-daakjes, en fijn-geteekende schoorsteentjes, een verwarrend gelijn van gevel-venstertjes, met het geflikker van maanlicht op al die dwerg-achtige ruitjes. Maar nog altijd gunde de jongen zich geen tijd, zich met iets

Sluiten