Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorkeek tusschen de in het bleeke maanlicht spookachtige reuzenlijven van de frontbeelden aan den voorkant van het paleisdak. Verder viel er in de groote stad niets te herkennen ; het was een eindeloos gewemel van steile huisnokken en warrelige lichtpuntjes van spitse daakjes, waarboven dan hier dan daar een slanke kerktoren, of verder, naar den buitensten rand van de stad, wat schoorsteenen uitstaken.

Zoo leek dan Amsterdam, van dit hooge middelpunt gezien, een vreemde uitgestorven stad, zonder leven, zonder menschen,

een stad, die dood was, of eene die sliep, gedompeld in een zwaren, rustigen, zorgeloozen slaap, zonder voorgevoel van de schrikkelijke ramp, die haar daar boven van het Dampaleis bedreigde!

Tobias aarzelde nu niet laHger, Geen oogenblik wilde hij meer verloren laten gaan.

Zijn hand had hij in den zak gestoken; even had hij zijn vingers er in rond laten graaien, opdat hij zooveel mogelijk van het witte poeder aan zijn vingers kon verzamelen. Toen trok hij de hand te voorschijn en strekte zijn arm vooruit in de richting van den achter-overhellenden koepel.

Sluiten