Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwde, op hetzelfde oogenblik had zich het verontrustend verschijnsel hersteld!

Aan den overkant van den Dam, waar het monumentale Paleis zich als een duistere wand tegen den stillen lichten maannacht zwaar en donker afteekende, daar waar het wonderbaarlijk verschijnsel van den achter-over-hellenden koepel op het dak hen met schrik geslagen had, daar was nu ineens niéts, maar dan ook volstrekt niets ongewoons meer waar te nemen.

De eerste zag het, de tweede zag het, de derde zag het!

Eerst durfden zij het elkaar wederom niet zeggen. Elk hunner wreef zich even de oogen uit, of zij wel waakten, en of het niet in slapenden toestand was, dat zij daar dit ongelooflijk visioen voor zich gezien hadden. Ieder hunner kneep zich zelf eens flink in den arm, omdat zelfs de meest verstandelijke lieden zulks wel plegen te doen, indien zij niet de volle zekerheid hebben omtrent de juistheid van hun waarnemingen. Daarna keken zij elkaar met van verbazing opengespalkte oogen aan; en evenals daarvóór:

— „Maar...!", stamelde de een.

— „Wel...!", hakkelde de ander.

— „Wat...!", stotterde de derde.

Toen zij daar eikaars stemmen weer vernamen, scheen er dus geen twijfel meer te bestaan, of hetgeen zij hier voor zich zagen, geen verbeelding was.

Inderdaad zou ieder ander in hun plaats ook getwijfeld hebben aan zijn eigen waarnemingsvermogen.

— „Maar dit is géén ramp!", mompelde de een aarzelend.

— „Het is een gezichtsbedrog geweest!", herademde de andere.

— „Het is ons gewóne Paleis op den Dam!", lachte de derde wat onzeker. J||ö

Daarbij bleven de drie heeren zich zelf geheel meester, tenminste naar hun uiterlijk te oordeelen; het waren immers drie mannen,.die in hun hooge betrekkingen gewend waren, dat op elk hunner woorden en gebaren acht werd geslagen, en die dus de gewoonte hadden weten aan te nemen, zich onder alle omstandigheden te beheerschen.

Sluiten