Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar hij volvoerde nauwelijks zijn zin; want eensklaps onderbrak hij zich zelf.

— „Owaail", riep hij luid, „wat gebeurt me nou?... m'n voete stane vast aan de asfalt van de Kalverstraat!"

Het was zoo. Met een rooden kop, die hevig kleurde boven zijn bonte vest en opzichtige das, stond de vader zich daar midden in de Kalverstraat te wringen en te draaien, alsof iemand hem achter in zijn kraag vasthield en hij zich nu los trachtte te rukken.

— ,,'t Kind zit ook vast aan de grond!", schreeuwde de moeder. „En m'n eige beene wege zoo zwaar as lood!"

— „Vader!... moeder!", gilden de twee scherpe stemmen van de beide meisjes. „Onze voeten zitte vast!"

De jongen stond te huilen, dat het daverde in het rond. „Dat komp van die nieuwe kaplaarze!", brulde hij; „nou willen ze niet meer loslate!"

— „Laat losl... laat je los!", schreeuwde de vader met zijn dikke stem.

Alleen het jongste kind trok zich van het zonderlinge verschijnsel niets aan; het zat rustig op den grond en bleef maar vroolijk kraaien: „Drinke!... drinke!"

Het was intusschen zulk een luidruchtige groep geworden van het lamenteerende ouderpaar met hun viertal hevig te keer gaande kinderen, dat het wel de opmerkzaamheid van het voorbij-wandelende publiek moest trekken.

Een oud heer, met gekleede jas aan, een hoogen hoed op, had zich naar de twee meisjes gebogen en vroeg belangstellend, waarom zij zoo schreeuwden. Twee vrouwen, die met een waschraand tusschen zich in sjouwden, hadden haar vracht neergezet en trachtten de moeder te helpen, die nog steeds aan het kanten jurkje van het kindje trok, om het te laten opstaan, maar ziende, dat zij ook in nood verkeerde, begonnen zij aan de moeder zelf te trekken. Een matroos, die daar langs, gekuierd kwam, had zijn stevige knuisten uitgestoken naar den huilenden jongen, om hem eens door elkaar te schudden. £n de lawaaiig roepende vader,

Sluiten