Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschentijd had inspecteur Speurmans zich reeds bij hem gevoegd; hij begreep dadelijk wien hij voor zich had.

— „Wel, meneer de dokter!", zei hij, „u is reeds vroeg op uw ochtendrit."

— „Hm!", bromde de dokter — want het bleek werkelijk een geneesheer te zijn — „ernstig geval!... En het onaangename is, dat ik eigenlijk het huis niet eens durf binnen te gaan."

— „Waarom niet?", vroeg de inspecteur verbaasd.

— „Omdat de voordeur knelt, omdat de gangdeur klemt, omdat het heele huis van boven tot beneden wel op een grooten lijmpot of magneet lijkt, zoo zit alles er vast!"

— „Zonderling!", mompelde de inspecteur.

Hij was de stoep opgestapt en had aan de bel getrokken; doch dadelijk hoorde hij een stem achter de voordeur, die hem angstig toeriep:

— „U moet beneden door; hier boven zit de deur immers vast!"

— „Ziet u wel!", riep de dokter, die beneden was gebleven; „ik ben zelfs verbaasd, dat die benedendeur nog open kan!"

Het bleek, dat de toegangsdeur onder de stoep op een kier stond.

— „Weet u," sprak een dienstmeisje met beverige, zenuwachtige stem; „we hebben op raad van meneer de deur niet gesloten, om de kans niet te loopen, dat die ook niet meer open zou gaan."

Inspecteur Speurmans fronsde de wenkbrauwen. Welk een toevallige samenloop van omstandigheden was dit nu weer, dat hij, komend van de eene woning, die onbewoonbaar was geworden door het klemmen van deuren en vensters, hier te land kwam in een tweede woning, waar blijkbaar een soortgelijk verschijnsel zich voordeed. Stonden deze beide gevallen met elkaar in verband? En was er verband tusschen de ramp in de Kalverstraat, tusschen het onbruikbare gebouw van de H.B.S., tusschen de gebroken winkelruit zelfs, en dit nieuwe vreemdsoortige geval?

— „Waaraan schrijft u dit verschijnsel toe ?", vroeg de inspecteur aan den dokter, terwijl zij samen het benedenhuis binnen traden.

Sluiten