Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „En u zelf?", vroeg de dokter meewarig.

— „Mijn been is nog even stijf," huilde het eene meisje.

De dokter schudde het hoofd, alsof hij niet wist wat van dit, hem onbekende ziektegeval te denken. Maar de inspecteur stelde een vraag:

— „Hoe is het gebeurd?", vroeg hij kort-af.

— „Ik heb gisteren de kooi van Lorre naar de achterkamer gedragen en sedert dat oogenblik is mijn eene been zoo hard alsof het van hout is," weende het arme kind.

— „Lorre is de papegaai," verklaarde de geneesheer, „dat beest vertoont de vreemdsoortigste verschijnselen van vogel-razernij; het heeft zijn snavel om een van de tralies van zijn kooi geslagen en wil die niet meer loslaten."

— „En wat is de kwaal van de andere jonge dame!?", vroeg de inspecteur onverstoorbaar verder.

— „Laat uw hand eens zien," zei de dokter.

Het andere weenende meisje stak de rechterhand, die zij verborgen op den rug had gehouden, aarzelend vooruit. Een groot stuk scherf, dat afkomstig scheen van het een of andere porceleinen sier-voorwerp hield zij in de hand.

— „Wat is dat?', vroeg de inspecteur nieuwsgierig.

— „Het is een stuk van een groote Japansche vaas," legde de dokter uit „Gisteren is die vaas aan scherven gevallen en toen deze jongejuffrouw de stukken wilde opruimen, is dit groote stuk aan haar hand blijven vastzitten, maar zóó stevig, dat het er met geen mogelijkheid van is los te maken, of het vel zou van haar vingers gescheurd moeten worden."

Uit de zijkamer riep een driftige stem:

— „Wie is daar!''

taspectear Speurmans herkende onmiddellijk de stem; het was het geluid van zqn ouden schutterij-kapitein.

— „O!", riepen beide meisjes tegelijk; „o, papa is heelemaal óp van drift; hij is in de voorkamer bij onze arme mama."

De dokter was tegehjk met den inspecteur van politie de kamer

Sluiten