Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binnengetreden. Door de geopende deur sprong sissend een groote zwarte kater, een voetkussen achter zijn staart sjeepend. Men vond in de kamer een zonderlinge groep: Voor het raam, dat op de gracht uitkeek, stond een dame met omhoog geheven armen, de beide handen uitgespreid tegen de ruit gedrukt; naast haar stond een heer, met opgeheven arm en een wandelstok in zijn gebalde vuist.

— „Wat is dat nu?", riep de ontstelde dokter.

— „Het heele huis is hier door die vervloekte plaag bezocht!", bulderde de heer, die niemand anders was dan de echtgenoot van de dame, die in zulk een vreemde houding bij het raam stond. „Ik ben zelf uitgeput van moeheid door eeuwig m'n arm in deze zelfde houding omhoog te houden 1... Maar dat beteekent nog niets, donder en bliksem! bij het lot, dat mijn ongelukkige vrouw heeft getroffen !... Ze heeft de gordijnen voor het raam willen dichtdoen, even heeft ze het vensterglas aangeraakt... En kijk ze daar nu eens gevangen staan, zonder haar twee handen van de ruit te kunnen loslaten!"

Het was waarlijk een bedroevend gezicht! De arme vrouw scheen der wanhoop nabij; zij scheen geheel uitgeput en zou stellig in-een zijn gezakt, indien ze niet met geweld werd opgehouden door haar handen, die de ruit niet konden loslaten.

De inspecteur Speurmans keek scherp toe, daar zijn gewoonte, om onder alle omstandigheden op alles te letten, hem tot een tweede natuur was geworden. Op de ruit zag hij onbeweeglijk twee vliegen zitten.

— „Wat is dit?", vroeg hij, minder op de ongelukkige vrouw lettende dan op de vliegen.

— „Voorzichtig!", riep de dokter naar den inspecteur, die met den vinger naar de beide vliegen op de ruit had gewezen.

Doch het was reeds te laat!

Inspecteur Speurmans had tegenover deze twee onbeweeglijke beestjes zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verloren: met den wijsvinger had hij de eene vlieg even tegen een der stijve

Sluiten