Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den schoorsteen beet, die tegen het platje aanstond, werkte zich omhoog en stapte op het platte dakje, dat veilig tusschen de huizen ingesloten lag, en waarop de sidderende jongen hem stond af te wachten.

De vluchteling maakte zoo volstrekt niet den indruk van een gevaarlijk misdadiger, van een jongen boef, van een jeugdig schurkentype. De inspecteur van politie keek in een goedig, vriendelijk jongensgezicht, dat eerder gewend scheen te lachen dan ernstig te kijken. Maar de ronde wangen waren nu akelig bleek en stonden strak, de lippen beefden, de kaken klapperden. En de anders wilde krullenkop stond nu verward boven het angstige voorhoofd, waarop dikke zweetdroppels parelden.

— „Allo!", zei niettemin de inspecteur met barsche'stem, „daar hebben we je eindelijk, mannetje!... Je hebt heel wat op je geweten!... Je hebt kans gezien, als een volleerd inbreker de vlucht te nemen!... Het schijnt dus wel, dat je je zelf heel schuldig voelt... Biecht maar eens op ?... Wat beteekent dit alles met die kleverij?"

— „Och, meneer van de politie I", stotterde de arme jongen, die geheel van streek was; „ik weet het zelf eigenlijk niet goed... Ik weet zelf niet, hoe 't komt, dat alles zoo kleeft P

— „Dus je geeft toe, dat het ]ouw schuld is, dat in de laatste dagen alles vast blijft zitten, waarmee je in aanraking komt ?"

— „Ja, meneer, maar ik kan 'ttoch heusch niet helpen."

— „Die praatjes kennen we!", glimlachte de strenge politieman. „Vertel maar de heele historie, van het begin af."

— „Hoe bedoelt u?", vroeg de jongen, die nog geheel ontdaan was, zooals bij daar als een misdadiger verhoord werd.

— „Ik zal je wel eens op weg helpen," zei de strenge politieman, nog altijd even grimmig. „Antwoordt me maar."

Hij stond vlak voor den onthutsten jongen, dien hij doordringend aankeek.

— „Wie was er tegenwoordig bij de ontploffing in het scheikunde-lokaal van de Hooger Burger School?"

Sluiten