Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Ik, meneer."

— „Wie was er tegenwoordig bij het sprakeloos worden van den conciërge van dat gebouw?"

— „Ik, meneer."

— „Wie bevond zich in het huis, waarvan alle deuren en ramen klemden?"

— „Ik, meneer."

— „Wie zat er in de winkelkast, waarvan de gebroken ruit weer gemaakt werd?"

— „Ik, meneer."

— „Wie was er in de kamer van het huis, waar de bewoonster een totale verstijving kreeg, waar de hond versteend werd, waar de papegaai verstomde, waar de vliegen kleefden, waar de poes aan een voetkussen bleef vast zitten, waar de keukenmeid een stijve arm, de werkmeid een stijf been opliepen?"

— „Ik, meneer."

— „Wie was er tegenwoordig bij het omkantelen van de toren van het Paleis op den Dam, en wie zette dien koepel weer recht?"

— „Ik, meneer."

— „Ten slotte: wie is de oorzaak van het vastkleven in de Kalverstraat van al die menschen?"

— „Ik, meneer," zei de jongen, en zijn knieën knikten.

— „Dat dacht ik wel," zei de inspecteur. „Je bent een ontzettend gevaar voor je omgeving, jongmenschl Je bent een gevaar voor de menschen, die met je in aanraking komen l Je bent een gevaar voor de stad, waarin je woont! Je bent een gevaar voor de maatschappij, waarin je leeft!... Dus is het mijn plicht als inspecteur van politie, je gevangen te nemen en je aan de justitie over te leveren... Tobias, je bent mijn arrestant!"

En inspecteur Speurmans had zijn revolver voor den dag gehaald, om aan die strenge woorden allen ernst en gewicht bij te zetten.

De ongelukkige jongen had elk woord van den politieman als een slag op het hoofd voelen aankomen. Toen hij den loop van de revolver nu op zich gericht zag, hield hij het niet meer uit.

Sluiten