Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ditmaal begreep Tobias wel de verklaring van wat hem bij zijn mastklimmerij als een wonder was voorgekomen: het was natuurlijk nog iets van het kleefstof-poeder, dat aan zijn handen was blijven kleven, en hem nu als met wonderkracht omhoog trok.

Maar de arme jongen verheugde zich er volstrekt niet over! In plaats van verrukt, verblijd te zijn met zijn tooverachtige klautergave, verwenschte hij alles wat met die geheimzinnige macht in verband stond.

En met een mistroostig, ongelukkig, neerslachtig gezicht wipte

hij daar, zoo vlug en sierlijk als een van tak tot tak springend boomkruipertje, tegen den hoogen schoorsteen omhoog, om binnen drie tellen in de goot te staan van het daaraan grenzende hooge huis. Hij keek nog even omlaag, achter zich, naar het platje, waar hij zoo juist het avontuur beleefd had met den politieman; hij zag daar nog inspecteur Speurmans in zijn stijve, onbeweeglijke houding staan, een beeld gelijk. Maar de oogen van den politieinspecteur zag hij duidelijk schitteren. Die oogen leefden, die oogen hadden hem gezien; ze hadden hem gevolgd op deze vlugge klimpartij tegen den kaarsrechten schoorsteen op. i Tobias keek daarna niet meer om. Hij wandelde voorzichtig langs den smallen dakrand, stapte over op het volgende dak en langs een diepe goot

naderde hij den zijmuur van de H.B.S. Het was een gebouw van vier verdiepingen hoog. Hoe zou de jongen naar beneden komen, en afdalen tot de binnenplaats? En weer deed zich de vraag voor: hoe zou hij ditmaal in het gebouw binnendringen, nu de

Sluiten