Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de open speelplaats omsloot, een jongen haastig wegklauterde; hij zag diens beenen over den muur verdwijnen; toen zag hij het gelaat, een verschrikt vuurrood jongensgezicht, met een verwarden krullenbol.

Daarna verdween het hoofd haastig, zonder dat hij of Brigges hadden kunnen herkennen, wie het geweest was.

Toen zij opgewonden naar de hoofddeur van het gebouw snelden, de directeur onophoudelijk wuivende met zijn weer bruikbare hand, de conciërge voortdurend zijn grommige stem latende klinken met het eene „Allemaries!" na het andere, vonden zij daar nog de twee politieagenten op wacht staan, humeurig, omdat hun inspecteur Speurmans nog altijd niet was komen opdagen, teneinde hen, zooals dagelijks zijn gewoonte was, te korsen aflossen.

Maar toen de directeur hen beduid had, dat ze den geheimzinnigen indringer achterna moesten, was het al te laat. De vogel was gevlogen!

* *

Tobias — want het was natuurlijk Tobias geweest! — holde in één vaart door in de richting van den Dam. Er was nog zoo veel goed te maken, op zoovele plaatsen moest hij de kwade gevolgen herstellen, die hij met zijn geheimzinnige kleefstof veroorzaakt had. Doch het eerst meende hij nu de ongelukkigen, die daar in de Kalverstraat aan den grond gekleefd stonden, te moeten verlossen.

Terwijl Tobias den Dam naderde, kwam het hem voor, dat Amsterdam een uitgestorven stad was. Hij zag bijna geen menschen op straat loopen; de huizen schenen verlaten; soms achter de zorgvuldig gesloten gehouden ramen zag hij hier en daar een verschrikt gelaat, dat hem verbaasd scheen na te kijken, hoe zoo'n jongen het waagde, frank en vrij over straat te loopen. De enkele voorbijgangers slopen schuw langs de huizen; zij keken angstig, en bij eiken stap, dien zij zetten, tilden ze hoog hun voeten op, alsof ze op spijkers liepen.

Sluiten