Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handige brandweerlieden van het dak van een der Kalverstraathuizen den korf met levensmiddelen omlaag hadden laten zakken. Want nauwelijks had iéder dezer beklagenswaardige slachtoffers een broodje of een taartje naar den mond willen brengen, of ziet!... daar meteen was het gebeurd, waren ze weer losgeraakt, hadden ze hun beenen weer kunnen bewegen, hadden ze hun voeten weer kunnen optillen, waren ze niet meer gevangen, waren ze weer vrij geweest!

En boven heel de stad barstte, als één groote zucht van verlichting, na den kwellenden angst, een vreugde-jubel los over deze even heerlijke als onbegrijpelijke bevrijding!

Naar alle kanten plantte het opgewonden gejuich zich voort. Straat na straat nam het over. Langs de grachten schalde het uit.

In de deftige woning van Tante Drees drong het lawaai door. Doch het werd niet overgenomen; het bleef er doodstil, alsof er een ernstige zieke in huis verpleegd werd.

Feitelijk was er een zieke; doch niet één, aangezien eigenlijk het geheele huis als een groote ziekenverpleging beschouwd moest worden.

Geen van al de huisgenooten was meer normaal: ieder hunner had de een of andere verstijvingskwaal; en bovendien was er geen deur, die meer open of dicht kon, geen voorwerp, dat meer van zijn plaats bewoog, geen raam, dat dichtschoof, als men het sluiten wilde, of naar boven kon, als men het wilde openen.

Onder deze verontrustende omstandigheden had zelfs de huisdokter geweigerd, hier nog één stap over den vloer te zetten.

Al deze verschijnselen waren te ernstig en te bedenkelijk!

De eenige, die zich nog met zijn laatste wilskracht tegen al deze ellende trachtte te verzetten, was de man en vader. Want hij voelde, als oud-schutterij-officier, al het gewicht van zijn verantwoordelijkheid. Wanneer ook hij bij de pakken ging neerzitten, dan zou aan zijn ongelukkige huisgenooten hun laatste steun ontvallen. En, tegen dezen samenloop van onverklaarbare

Sluiten